| Preek van de week |
|
|
||
| 6 juni - tiende Donderdag |
|
|
Lezingen: 1
Koningen 17,17-24
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Je went er nooit aan, zei me een ziekenhuispastor, moeder
van twee kinderen, in haar verhaal over een pas gestorven kind. Een kind
naar zijn dood begeleiden, vertelde ze, is altijd een zware opgave. Ik heb
het al dikwijls moeten doen. Men zegt dat ik er goed in ben. Ik hoop dat het
waar is. Ik heb een kleine voorraad mooie gebeden waaruit ik er een kies dat
ik samen met het kind probeer te bidden. Maar wat zeg je tegen een moeder
die haar kind heeft verloren? Ik merkte goed dat het erop aankwam ze weg te
halen uit haar opstandigheid. 'Mijn kind is me afgepakt!' Ik stapte uit mijn
rol van pastor, ging naast haar zitten en sprak haar aan als moeder van mijn
kinderen. Als mij hetzelfde zou overkomen, zei ik, een kind verliezen, zou
ik geholpen kunnen worden door iemand die me ervan overtuigt dat ik mijn
eigen leven niet kwijt ben, en mijn geloof in God. Hoe zal een moeder die haar enig kind verloren heeft
reageren als ze het verhaal over de jongen in Naïn hoort voorlezen? Ik kan
me voorstellen dat ze rechtstaat en luid wenend de kerk uit loopt. Ik kan me
inbeelden dat ik ze hoor mompelen: 'Het kan niet echt gebeurd zijn, geen
mens kan dat geloven. En als het toch een waar verhaal is, waarom alleen
toen, waarom kan ik mijn kind dan niet terugkrijgen?' Ze is verbitterd.
Misschien voelt ze mee met het protest van de profeet tegen God (zie de
eerste lezing). 'Het kan toch niet dat u uitgerekend deze weduwe treft door
haar zoon dood te doen gaan!'
Is dit een waar gebeurd verhaal? Het verschilt wezenlijk
van de andere wonderverhalen. Op weinig uitzonderingen na zijn de
wonderdaden die in de evangelies verteld worden Jezus' antwoord op een vraag
om hulp van mensen in nood. Altijd doet hij een beroep op hun geloof. Waar
geloof ontbreekt, is Jezus niet bij machte wonderen te verrichten (Marcus
6,5). Jaïrus smeekte Jezus zijn dochtertje dat op sterven lag te hulp te
komen. Toen het meisje gestorven was, spoorde Jezus hem aan te blijven
geloven en bracht haar weer tot leven (Lucas 8,42-54). Ook de dode Lazarus
deed Jezus opstaan uit zijn graf toen zijn zuster Marta hem verzekerd had
dat ze geloofde dat hij 'de opstanding en het leven' was (Johannes 11,25-27).
In het wonderverhaal over de tot leven gewekte jongen in
Naïn gaat het er heel anders aan toe. Het is door Lucas mooi in scène
gezet. Twee stoeten komen elkaar tegen bij de stadspoort. De lijkstoet trekt
weg uit de stad. Jezus loopt voorop in de stoet van zijn volgelingen die de
stad intrekken. Geen van de treurenden vraagt hem iets. Alle geloof in het
leven lijkt uit hun stoet verdwenen. Het is zonder meer duidelijk: de evangelist schrijft hier
een paasverhaal. Dat blijkt ook al uit het feit dat hij Jezus 'de Heer'
noemt die diep bewogen wordt door medelijden met de weduwe. Alleen in de
verrijzenisverhalen wordt Jezus 'de Heer' genoemd.
De lijkstoet kan nu rechtsomkeer maken. Terug de stad in,
de gemeenschap van de levenden. De moeder heeft op een nieuwe manier haar kind teruggekregen. Ze
was zelf ten dode toe getekend, ze had niemand meer om voor te leven. Nu
heeft ze opnieuw reden gekregen en overtuigde wil om te leven.
Schriftkenners zeggen dat Lucas de wanhopige weduwe ook
bedoeld heeft als symbool van het volk dat geen toekomst meer zag. 'God
heeft zich om zijn volk bekommerd' staat er aan het einde van het verhaal.
Hij heeft het volk losgemaakt uit het verlammende verdriet om wat verloren
was en het weer perspectief gegeven.
Het lijkt me niet te ver gezocht in de weduwe ook een
beeld te zien van de kerk in onze tijd. Alsmaar minder en ouder wordende
voorgangers en kerkgetrouwe gelovigen, zich overgevend aan het perspectief
van dreigend uitsterven. zoals de rouwstoet van het evangelie die de stad
der levenden verlaat op weg naar de begraafplaats. We mogen ons bij dit
vooruitzicht niet gelaten neerleggen. Het ergste zou zijn dat er nergens nog
iemand is die het bevel hoort van de Heer: 'Sta op!' We moeten durven hopen
dat er onder ons mensen zijn die het bevel horen en er gehoor aan geven. Het
zal veel tijd kosten, moed en volharding, en veel gelovige creativiteit om
tegen de stroom in te roeien.
Geïnspireerd door Paul Schollaert, Zondagse woorden,
Tielt, Lannoo, 2008, p. 588-592
B.J. De Clercq o.p. |
| |