| Preek van de week |
|
|
||
| 6 juni - tiende zondag |
|
|
Lezingen: 1
Koningen 17,17-24
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Jezus wekt een dode jongen weer tot leven. Dit verhaal lezen we in het
evangelie van Lucas. Het deed de ronde door heel het Joodse land en de wijde
omtrek. Zo luidt de laatste zin van dit evangelie. Het verhaal is zelfs, na
tweeduizend jaar, bij ons gekomen. Lucas heeft opgeschreven wat hij hoorde.
Hij was er zelf niet bij. Hij was geen ooggetuige. Wat de ronde deed bij de
eerste christenen rond het jaar 70 of 80 heeft hij genoteerd. Hij is de
enige. De andere evangelisten hebben dit niet.
Jezus kwam met zijn leerlingen in het dorpje Naďn, op
ongeveer 10 km van Nazareth. Het was een klein, onbekend en onooglijk
dorpje, dat wij een boerengat zouden noemen. Maar wat er die dag daar zou
gebeuren werd, volgens Lucas, wereldnieuws.
Toen Jezus het dorpje naderde, kwam hem een lijkstoet
tegemoet. De dode was de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was. Bijna
iedereen van het dorp ging mee, onder luid geween en gejammer. De jongen was
waarschijnlijk ’s nachts of in de vroege morgen overleden en werd in de
namiddag begraven. Zo is het nu nog in Congo en in de meeste tropische
landen. Het gaat heel vlug van leven naar dood! En wat is er erger dan een
weduwe die haar enige zoon moet begraven? Die jongen was haar trots en
glorie. Hij was bovendien haar bestaanszekerheid, haar oudedagsvoorziening.
De vrouw had nu niets en niemand meer om voor haar te zorgen. Ze zal moeten
bedelen.
Jezus werd diep geraakt door het verdriet van die vrouw.
‘Zijn maag kwam er van overhoop’, staat er in het Grieks. Jezus kon niet
onverschillig blijven bij zoveel lijden en smart. Hij ging naar de lijkbaar
en raakte die aan. Eigenlijk mocht hij dat niet. Wie dit doet, wordt onrein.
Maar voor Jezus was de naastenliefde belangrijker dan
reinheidsvoorschriften. De dragers stonden stil. Jezus zei :’Jongen, ik
zeg je, sta op!’ De dode jongen kwam overeind en Jezus gaf hem terug aan
zijn moeder. Natuurlijk werden allen door ontzag bevangen, verheerlijkten
God en zeiden: ’Een groot profeet is onder ons opgestaan!’ De mensen
kijken vol bewondering op naar Jezus. Jezus’ aandacht gaat naar de moeder
die nu overgelukkig is. Wij zouden ons vol verbazing naar de jongen richten.
We zouden hem vragen wat hij heeft meegemaakt. Hoe het was om dood te zijn?
Wat had hij gevoeld en gezien?. We horen daar niets over.
Zo ging het ook met de twee andere dodenopwekkingen in
het evangelie. Het dochtertje van Jaďrus, de overste van de synagoge, is
gestorven. Als Jezus bij het meisje komt, zegt hij: ’Ze slaapt.’ Hij
wordt uitgelachen. Maar Jezus wekt haar op. Misschien was ze alleen maar in
coma? We weten het niet. Bij de derde dodenopwekking weten we het maar al te
goed. Lazarus was al vier dagen in het graf en zijn zus zei: ’Hij riekt
al.’ Zo lezen we in het Johannesevangelie. Als Jezus Lazarus ten leven
wekt, stormen ze niet op hem af. Er waren toen nog geen opdringerige
journalisten. Toch hadden we graag geweten wat Lazarus die vier dagen had
ervaren. Maar we horen er niets over. Als we willen weten hoe het is na de
dood, blijven we op onze honger. Het evangelie antwoordt niet op onze
nieuwsgierigheid.
Met de opwekking uit de dood van de jongen uit Naďn en
van Lazarus, is de dood niet overwonnen. Want zowel Lazarus als de jongen is
opnieuw gestorven. Misschien zelfs na een lange en pijnlijke ziekte? Als dit
de blijde boodschap is, dat er een paar mensen, voor een tijd, zijn
teruggekeerd uit de dood en over hun dood niets zeggen en later opnieuw zijn
overleden, dan hebben wij daar niets aan. Er moet dus meer achter die
verhalen zitten. Wat dan?
Lucas wil aantonen dat Jezus niet alleen een groot
profeet is, maar de allergrootste. In zijn achterhoofd heeft hij de
dodenopwekking door Elia, die voor de joden een van de grootste profeten
was. In Sarafat had Elia bij de stadspoort een weduwe ontmoet. Ze had de
profeet gastvrij in haar huis opgenomen. Toen werd haar enige zoon ziek en
stierf. Zij was ontroostbaar. Maar Elia nam het dode kind op en legde het op
zijn eigen bed. Toen begon hij vurig te bidden tot God. Biddend strekte Elia
zich in zijn volle lengte uit over het kind, tot driemaal toe. Misschien was
het mond-op-mondbeademing? In ieder geval kwam het kind weer tot leven en
Elia gaf het aan zijn moeder terug. ‘Zie uw zoon leeft’, zei hij. De
vrouw zei tot Elia: ’U bent waarlijk een man van God.’
Jezus overtreft Elia. Die had met heel zijn hart tot God
gebeden en als het ware geworsteld op leven en dood. Jezus wekt de jongen
van Naďn tot leven door zelf een machtswoord uit te spreken, en zonder
verdere poespas. Nu is het duidelijk dat de messiaanse tijd, waar de
verhalen van Israëls profeten van getuigen, is aangebroken.
Daar is het Lucas om te doen. Zijn verhaal is eigenlijk
een paasverhaal. Jezus is hét ‘Leven’. Het goddelijk leven. Hij overwon
de dood door zijn verrijzenis. Hij kwam niet terug. Hij leeft het leven van
God zelf, de Eeuwige!
Het kan zijn dat wij iemand ontmoeten die in de grootste
miserie zegt: ’Dat is geen leven meer!’ Misschien kunnen we na lange
tijd, door begrijpen, meevoelen, luisteren en gesprek, zo iemand
terugbrengen tot verlangen om te leven. Misschien zelfs, als hij of zij
daarvoor openstaat en het juiste moment gekomen is, op de een of andere
manier getuigen van ons verrijzenisgeloof. Want uiteindelijk gaat het om een
Leven dat ons aardse leven overstijgt.
Rob Moens, dominicaan, Genk
|
| |