| Preek van de week |
|
|
||
| 20 juni - twaalfde zondag |
|
|
Lezingen:
Galaten 3,26-29
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Tien jaar geleden is door de Verenigde Naties 20 juni als
wereldwijde vluchtelingendag ingesteld om over de hele wereld de aandacht te
trekken op het gigantische probleem van de vluchtelingenstromen. Dit jaar
valt die dag op een zondag. Het ligt voor de hand dat het probleem ook in de
liturgische vieringen ter sprake wordt gebracht. Het is niet te ver gezocht
een verband te leggen met de Schriftlezingen.
Er worden veel namen aan gegeven: vreemdelingen,
nieuwkomers, allochtonen, immigranten, illegalen. Maar we kunnen ze onder
één noemer brengen. Allemaal zijn ze vluchtelingen. Een bijvoeglijk
naamwoord plakt er een etiket op: politieke, religieuze, economische
vluchtelingen. Uit hun thuisland gevlucht voor politieke of religieuze
vervolging en onderdrukking, gevlucht uit armoede en ontbering. Ze vluchten
naar een buitenland waar ze kansen en middelen voor een veilig en
menswaardig bestaan hopen te krijgen. Ook naar ons land. Ze rekenen op onze
gastvrijheid.
Maar in elk van de namen waarmee ze genoemd worden wordt
even zoveel keren gesuggereerd dat ze weinig welkom zijn. Behalve diegenen
van wie economisch nut wordt verwacht, worden migranten beschouwd als een
oorzaak van chaos, angst en onveiligheid. Xenofobe en racistische reacties
zijn nooit ver weg. Sommige politieke partijen wakkeren ze aan en spinnen er
garen bij.
Hoe ze ook genoemd en bejegend worden, vluchtelingen zijn
mensen zoals u en ik. Ze zijn onze gelijken. Paulus schreef het al aan de
Galaten, in termen van die tijd. Vanuit een christelijk gezichtspunt bestaat
er geen verschil tussen Joden en Grieken, tussen slaven en vrije mensen en
doet het niet ter zake dat iemand man of vrouw is. We mogen dit lezen als
een christelijke voorloper van de mensenrechtenverklaringen. Wie ze ook zijn
en hoezeer ook ze van elkaar verschillen, alle mensen hebben een zelfde
menselijke waardigheid en dezelfde rechten.
Voor christenen is het evangelie de sterkste motivering
om een bijzondere aandacht en zorg te wijden aan de menselijke waardigheid
en de mensenrechten van vluchtelingen. Als we ons evangelisch geweten
volgen, kunnen we ons geen onverschilligheid permitteren. Afzijdig blijven
is strijdig met het evangelie. We zullen onze tegenstem laten horen tegen de
populistische stemmingmakerij rond de dreigende 'islamisering' die het
'eigen volk' tegen de 'vreemdelingen in het harnas jaagt. We zullen ons met
een eigen stem mengen in de publieke discussies over een humaan en
efficiënt vluchtelingenbeleid van de overheden. We zullen onze bijval
betuigen met de personen en groepen in buiten de kerk die dag in dag uit
werken aan de opvang, de begeleiding en de integratie van de migranten. Waar
het binnen het bereik ligt van onze mogelijkheden zullen we met hen
meewerken.
Jezus heeft zijn leerlingen verschillende keren
gewaarschuwd: iedereen die hem wilde volgen zou zijn eigen kruis moeten
dragen. Het staat ook in het evangelie dat we vandaag lezen. De door God
gezonden Messias die Petrus in Jezus herkende stonden veel lijden en een
smadelijke dood te wachten. Wie wilde meegaan op zijn weg naar opstanding
uit de dood, moest bereid zijn zichzelf te verloochenen en zelf ook elke dag
zijn kruis op zich nemen.
Het klinkt wat pathetisch, maar het wijst op een
onmiskenbaar feit: de vluchtelingen in ons midden zijn een van de kruisen
die we te dragen krijgen. We moeten vechten tegen de bekoring om het van ons
af te schudden of op ergens een Simon van Cyrene af te wentelen. Het is een
te gemakkelijk excuus dat niemand van ons persoonlijk betrokken is bij de
ellende en het onrecht die vluchtelingen wordt aangedaan. We kunnen wel
degelijk iets doen aan die ellende en dat onrecht. Dat zal zelfverloochening
vragen: een stukje eigen comfortabel leven prijsgeven opdat het armzalig
leven van anderen wat meer en betere kansen krijgt.
De instroom van migranten heeft onze samenleving grondig
veranderd. 'Multicultureel' noemt men de nieuwe samenleving. Uit de jongste
cijfergegevens blijkt dat de 'echte' Belgen in verschillende Brusselse
gemeenten een kleine minderheid zijn geworden en in Antwerpen en Genk nog
nauwelijks meer dan 60 percent. In Nederland zei een Rotterdamse politicus
onlangs: "Bij tijd en wijle had ik het besef een vreemdeling in eigen
land te zijn." Sommige Brusselaars en Antwerpenaren zullen het hem
waarschijnlijk nazeggen. Het multiculturele karakter van onze samenleving
ervaren velen als een kruis dat hun door hun stadsgenoten van vreemde
afkomst wordt opgelegd. Ze lijden onder die last. Maar veel zwaarder weegt
de last van het kruis dat de vreemdelingen moeten dragen.
Christenen hebben eigen redenen om de nadruk te leggen op
het samen leven van mensen uit verschillende culturen in dezelfde
leefruimte. Ons moet het te doen zijn om een vreedzaam en vruchtbaar
samenleven dat we opbouwen uit interculturele relaties. Zo kunnen we
leren van hen die in geloof en levenswijze van ons verschillen. En zij van
ons.
B.J. De Clercq o.p. |
| |