| Preek van de week |
|
|
||
| 4 juli - veertiende zondag |
|
|
Lezingen: Jesaja
66,10-14c
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Aan het
einde van zijn brief aan de Romeinen laat Paulus de groeten overbrengen
aan een hele schare christenen die hij allen met naam en christelijke
kwaliteiten vernoemt. Ik citeer wat hij over twee van hen zegt:
"Groet Andronikus en Junia, mijn volksgenoten die met mij in de
gevangenis hebben gezeten, die als apostelen veel aanzien genieten en
die eerder dan ik één met Christus zijn geworden" (16,7). Van een onderscheid tussen hiërarchie en basis was in de
jonge kerk blijkbaar geen sprake, iedereen was gelijkwaardig. Helemaal zoals
Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten (3,27-28): "U allen die
door de doop één met Christus bent geworden, verenigd, hebt u met Christus
omkleed. Er zijn geen Joden of Grieken meer, geen slaven of vrijen, manen of
vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.’
Zo was de jonge Kerk, de Kerk van Christus, die door de
apostelen en door alle gelovigen gedragen en uitgedragen werd. Er was geen
onderscheid tussen man en vrouw, en ook niet tussen apostel en niet-apostel,
want allen vormden ze één persoon in Jezus. De kerk was één, zoals Jezus
gevraagd had op het Laatste Avondmaal. ‘Mogen allen één zijn, zoals U
Vader in mij en ik in U.’
Vandaag is dat anders. De Kerk is niet meer één. Aan de
ene kant is er de Kerk van de paus, de bisschoppen, de clerus. Alleen maar
ongehuwde mannen, die het monopolie opeisen van de eredienst, de
verkondiging en de sacramenten. Aan de andere kant de Kerk van de leken,
mannen en vrouwen, die moeten luisteren naar wat klerikale Kerk verkondigt.
Ik weet niet wanneer die twee-sporenkerk ontstaan is, maar ik weet wel dat
ze niet beantwoordt aan de wil van Jezus. Hij maakte geen onderscheid tussen
mensen, tussen mannen en vrouwen, en ook niet tussen apostelen en zogenaamde
leken, want hij zond zonder aarzelen 72 niet-apostelen uit om zijn Woord te
verkondigen.
De jonge Kerk is hem daarin gevolgd. De Kerk van vandaag
doet dat niet meer. Die wordt gedomineerd door een heel kleine groep mannen,
met alle gevolgen van dien. Bijvoorbeeld een almaar groeiende
onverschilligheid van de massa ten aanzien van de Kerk. En vijandschap ten
aanzien van een instituut dat het contact met de werkelijkheid helemaal
verloren lijkt te hebben. En spot met een stuurloze mastodont die met
wereldvreemde geboden en verboden aan elkaar gelapt is. Geboden en verboden
die niet terug te vinden zijn in de woorden en daden van Jezus. En is Jezus
niet onze enige maatstaf?
Niet meer voor de Kerk, zo lijkt het. Ze is haar eigen
maatstaf geworden, en zelfs de maatstaf van de dingen en de mensen. En van
de werkelijkheid. En je weet: als instituten zichzelf als maatstaf
beschouwen, begint de ontmenselijking. Dat komt vandaag op pijnlijke wijze
aan het licht. De wet, het instituut boven de mens. Jezus is vermoord omdat
hij de mens boven de wet stelde, en omdat hij maar één wet aanvaardde: ‘Bemin
God bovenal en je naaste als jezelf.’ Jezus, voor wie alle mensen, mannen
en vrouwen, gelijk waren. Jezus, die niemand uitstootte en niemand
veroordeelde. Jezus, die leefde in en werkte vanuit zijn eigen tijd, en die
weigerde een instituut te worden.
Zusters en broeders, alleen maar de woorden en daden van
Jezus in deze tijd beleven, dat is wat ons, wat onze Kerk te doen staat.
Samen, mannen en vrouwen, op voet van gelijkheid, en met een open geest. De
Geest van Jezus.
Romain Debbaut
Bron: Homilies |
| |