| Preek van de week |
|
|
||
| 15 augustus - Maria Hemelvaart |
|
|
Lezingen: 1 Korintiërs
15,20-26
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Al van in het vroege christendom bestond er een grote
verering voor Maria, de moeder van Jezus. Dat is merkwaardig, want in het
evangelie wordt er opvallend weinig over haar gezegd. Blijkbaar zijn mensen
altijd al aangesproken geworden door de moederfiguur in Maria. Een moeder
die niet alleen het leven schenkt aan haar kind maar dat kind tot in zijn
dood heel nabij blijft. De diepe vreugde van de moeder in verwachting, of
met het kind op haar arm – de madonna, en de smartelijke pijn van de
moeder onder het kruis, of met het dode lichaam van haar zoon op de schoot
– de pieta. Die beelden verstaan wij allemaal, ze zitten dicht op onze
huid. Maria is werkelijk een van ons.
Het is bizar dat de Mariafiguur, net zoals de persoon van
Jezus, in de loop der eeuwen steeds verder gecatapulteerd werd in een
onbereikbare hoogte. Maria werd als voorbeeld gesteld van de voor vrouwen
rare combinatie van ‘reine maagd’ en ‘moeder’. Hele generaties van
jonge meisjes hebben overigens onder dat onmogelijke ideaal geleden. De
jonge frisse moeder uit Nazaret werd tegelijk de moeder van God, de
onbevlekte ontvangenis, en de hemelse koningin met zware diamanten en
brokaat. Haar moederschap werd ingevuld met een maagdelijke geboorte, en
zijzelf verdween onder een donker vernis van dogma’s en misplaatste
eretitels. Ze werd m.a.w. beschadigd door orthodoxe overdrijving, katholieke
devotie en protestantse afkeer. Heden ten dage hebben heel wat christenen
haar beeld – ook letterlijk – op zolder gezet. Ze hebben niks of niks
meer met haar. Maar welk beeld van Maria bieden het feest en de liturgie
van vandaag? Op 15 augustus vieren wij het feest van Maria tenhemelopneming,
een dogma dat in 1950 werd afgekondigd. Daarover wordt echter in de Bijbel
niets gezegd, ook niet over de dood van Maria. Wat zou de kerk dan bedoeld
hebben met dat feest?
Er is een mooi gezegde in het Nederlands dat de toestand
van uiterste geluk aanduidt: "ik ben in de zevende hemel". Wie wil
niet in die zevende hemel zijn? Op de een of andere manier streven wij allen
naar dat opperste geluk, voor onszelf, voor degenen die we gaarne zien, ja
voor elk mensenkind. Het is een zaligheid die verbonden is met een harmonie
in jezelf, een harmonie met de ander, een harmonie met het leven en de
levenden. Het is vooral een soort van bevestiging van wie je ten diepste
bent. Het is een instemming door de ander met je hele persoon, helemaal
zoals je bent, zeg maar met je ziel en je lichaam. ‘Ze mag er zijn, hij
mag er zijn’, zeggen we dan.
De religieuze betekenis van de tenhemelopneming kunnen we
precies vanuit die diepe menselijke ervaring van in de zevende hemel te
zijn, begrijpen. Als het kerkelijke dogma van 1950 zegt dat Maria na haar
aardse levensloop met lichaam en ziel door God in de hemelse heerlijkheid is
opgenomen en tot koningin van het heelal is verheven, dan klinkt die taal
ouderwets en lijkt het een misplaatste vergoddelijking van de jonge moeder
van Jezus. Maar is het dat wel? Maria wordt niet vergoddelijkt, haar
menszijn wordt door God gewaardeerd, ze is in de hemel bij God. Niets van
haar leven is verloren gegaan. God zelf heeft haar leven, haar persoon -
helemaal zoals ze is, bekroond. Jij mag er zijn, Maria. Wat jij volbracht
hebt, wie je geweest bent, alles wat in jouw lichaam en ziel groeide en
gerijpt is aan vreugde en verdriet, je volgehouden trouw, je geloof en je
hoop en bovenal je liefde bevestig en beaam ik, zegt God. Jouw leven is door
mijn eeuwigheid omvat.
Dat kan theoretisch klinken, hoog gegrepen, abstract. De
liturgie is zich daar bewust van. Vooral de evangelielezing maakt concreet
welke de krijtlijnen zijn waarbinnen zo’n door God gewild en beaamd
menselijk leven kan beleefd worden. We horen over het bezoek van de zwangere
Maria aan haar oude, eveneens zwangere, nicht Elizabet. Tijdens dat bezoek
zingt Maria haar bekende Magnificat. Dat lied is werkelijk een
boodschap voor onze tijd. Maria zingt ons vandaag toe: ‘ik heb ervaren hoe
blij een rotsvast vertrouwen op God je kan maken. Hij is in staat ons,
kleine mensen, groot en gelukkig te maken. Hij verheft. Ik heb het
meegemaakt. Je hoeft je niet door het leven te slepen, angstig en met een
bedrukt gezicht. God laat je de vreugde vinden en ook de sterkte en de
kracht om stand te houden, daar waar anderen al lang door de knieën zijn
gegaan. Hij sterkt ons om te leven zoals mijn zoon Jezus het heeft
voorgedaan. Door mij, door jou, door ons wil God grote dingen doen.’ Dat
jubelt Maria uit aan Elizabet, dat zingt ze ons vandaag toe. En toch, ondanks Maria’s steun in onze rug, lijkt het
levensprogramma van Jezus, Gods opdracht om van onze planeet een
menswaardige wereld te maken, voor veel christenen ondoenbaar, onhaalbaar.
Aan hen zou ik het volgende, waar gebeurde verhaal van Esquivel willen
vertellen.
Esquivel is een bekende Argentijnse schrijver, vooral
bekend om zijn niet aflatende strijd voor gerechtigheid en mensenrechten.
Hij zit aan zijn bureau en is aan het werk. Zijn dochtertje is bij hem, en
wil dat hij met haar speelt. Voortdurend leidt ze zijn aandacht af, ze stelt
hem vragen en wil op zijn schoot kruipen. Op een bepaald ogenblik vraagt ze:
‘wat ben je aan het doen, papa?’ Esquivel antwoordt: ‘papa is hard aan
het werk om ervoor te zorgen dat alle mensen blij en gelukkig zijn’. ‘O,
mag ik je daarbij helpen, papa?’, dringt de kleine meid aan. ‘Neen’,
zegt Esquivel, ‘daar ben jij nog te klein voor’. Het dochtertje blijft
aandringen en wordt lastig. Maar Esquivel wil doorwerken, en om zijn kleine
meid een bezigheid te geven, zodat ze hem gerust laat, neemt hij een
magazine, scheurt er een blad uit waarop de wereldkaart afgedrukt staat,
snijdt die in kleine stukken. Daarna geeft hij de stukken aan zijn
dochtertje met de opdracht dat ze ze, als een puzzel, terug aan elkaar moet
plakken, met de plakband die hij haar aanreikt. ‘Kijk, dat was de hele
wereld, en die is nu in stukjes. Je kunt me helpen door de wereld terug in
elkaar te zetten’, zegt hij. Hij denkt bij zichzelf: ze zal daar een hele
tijd zoet mee zijn. Die opdracht is voor een kind van drie heel moeilijk.
Een hele tijd dat ik kan doorwerken. De schrijver Esquivel was zo ontroerd door die
gebeurtenis en vooral door de les die hij van zijn kleine meid had geleerd,
dat hij dat verhaal de wereld heeft ingestuurd. Het meisje, dat hij te klein
vond om mee te helpen aan de vermenselijking van de wereld, precies dat
meisje had hém – de geleerde schrijver, de grote papa – geleerd dat zo’n
ondoenbaar lijkende opdracht voor een individu, begint bij de manier waarop
je omgaat met je medemens naast jou. Jouw antwoord op de oproep die uitgaat
van het gelaat van je medemens, is het begin van een vredevolle en
rechtvaardige wereld. We zitten hier op hetzelfde spoor als dat van Maria.
Zij heeft ‘ja’ gezegd op een concrete, vreemde situatie in haar leven.
Door die instemming heen is Jezus geboren. De inzet van een nieuwe wereld.
Omwille van die instemming en van de volgehouden trouw
aan die instemming werd de totale mens Maria ten hemel opgenomen. Moge ook
alles wat in ons groeit aan instemming, al wat in ons lichaam en onze ziel
rijpt aan inzet en liefde, ooit door Gods eeuwigheid omvat worden.
Bernard de Cock o.p. |
| |