Mag best, zo'n doordeweekse levenswijsheid,... maar wat
heeft dat met ons geloof te maken? Alles dus. Want deze les in
wellevendheid, zo staat er, is een gelijkenis, een vergelijking. Als het
gaat over goede tafelmanieren, gaat het in feite over wat anders. Waarover?
Dat maakt Jezus duidelijk als hij, aansluitend bij zijn verhaal, zegt:
"Iedereen die zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich
vernedert, zal verheven worden" Een zin die ook door andere
evangelisten wordt geciteerd, zij het in andere contexten. Een belangrijke
zin dus, die deze tafelwijsheid optilt naar een existieel-religieus niveau.
Wat op die bruiloft gebeurde - wie aast op een plaats aan
de eretafel wordt naar een uithoek verwezen - kan ook bij God gebeuren: Wie
tegenover hem een hoge borst opzet of in het gevlei wil komen, die zal hij
een toontje lager laten zingen; maar wie achteraan een vrije plaats
uitzoekt, zal naar voren gehaald worden. Want onze God verheft de nederigen.
Dit is niet zomaar een Jezuswijsheid. Jezus werd
herhaaldelijk geconfronteerd met religieuze pretentie. Een paar voorbeelden
om het geheugen op te frissen.
* Bij Matteüs (20,20-28) en Marcus (10,35-45) lezen we
dat de moeder van de zonen van Zebedeüs aan Jezus vraagt om voor haar
zonen, de apostelen Jacobus en Johannes, een goed postje te reserveren in
zijn koninkrijk. Jezus reageert met: "Wie onder u de eerste wil zijn
moet dienaar van allen wezen".
* Krek hetzelfde herhaalt zich, volgens Lucas, op die
cruciale bijeenkomst van het Laatste Avondmaal. Jezus had het brood
gebroken, de beker rondgedeeld, en gezegd 'dit moeten jullie samen ook doen
als ik weg zal zijn; zo houden jullie de herinnering aan mij levendig'. Zijn
woorden waren nog niet koud of de leerlingen zaten alweer te ruziën over
wie van hen in dat toekomstig koninkrijk de belangrijkste zou zijn. Je
proeft de ingehouden irritatie wanneer Jezus zegt: "De grootste is hij
die dient, niet hij die gediend wordt" (Lucas 22,24-27).
* Het kan geen toeval zijn dat ook de evangelist Johannes
focust op 'nederigheid' door niet brood en beker maar de voetwassing te
promoveren tot centraal moment van Jezus' laatste samenzijn met zijn
apostelen (Johannes 13,1-20).
Als reeds de apostelen onder elkaar machtsspelletjes
speelden, dan hoeft het ons niet te verwonderen dat dit ook in de jonge kerk
gebeurde.
* In Korinte, tijdens de maaltijd des Heren - dat was
toentertijd, naar het voorbeeld van het Laatste Avondmaal, een maaltijd met
alles erop en eraan - tijdens die eucharistievieringen dus, aten de rijken
hun buikje rond; voor de armen en de slaven die pas na hun dagtaak konden
komen, bleef er nauwelijks wat over. Paulus maakt zich daarover behoorlijk
boos en schrijft: "Wie zich bij de eucharistie afzondert van de armen,
miskent het lichaam van Christus en eet en drinkt zijn eigen vonnis" (1
Korintiërs 11,17-34).
*Hetzelfde fenomeen deed zich voor in de kerkgemeenschap
van Jacobus. In een rondschrijven ergert ook hij zich over het feit dat
tijdens christelijke samenkomsten de armen achtergesteld werden (Jacobus
2,1-4).
En daarmee zijn we terug bij de evangelietekst waarin
Jezus zegt dat wie een feestmaal organiseert ook armen, gebrekkigen,
kreupelen en blinden moet uitnodigen, mensen van wie men geen wederdienst
kan verwachten.
Je boven de anderen verheven achten, op anderen
neerkijken, het lijkt wel een ingewortelde, oermenselijke karaktertrek met
vele gezichten: geldzucht, carrièredrang, statussymbolen, sociaal aanzien.
En dat fenomeen beperkt zich niet tot de burgerlijke samenleving. Die
zelfverheerlijking kan ook - maar dan meestal gecamoufleerd en onderhuids -
de drijvende kracht zijn achter kerkelijk of christelijk engagement:
kerkleiders die autoritair de waarheid in pacht lijken te hebben, pastors
die zichzelf niet kunnen relativeren, sociale inzet die zichzelf kroont met
het aureool 'zie eens hoe ik mij voor de goede zaak uitsloof'.
Er zijn zovele vormen van verkapte religieuze hoogmoed.
Jezus heeft ze zijn leven lang bekampt, maar ze staken en steken steeds
opnieuw de kop op: onder de leerlingen, in de jonge kerk, onder de
christenen door de eeuwen heen tot op vandaag. Mensen die zich groot en rijk
wanen in Gods ogen en daarom menen recht te hebben op een prima zitje in
zijn hemels koninkrijk.
Dat doet me denken aan die beroemde rabbijn van Tolna.
Hij kreeg een rijke op bezoek en had met hem een lang gesprek. Later kwam
een arme met hem praten, maar al na vijf minuten was die weer de deur uit.
De arme voelde zich benadeeld en beklaagde zich erover dat de rabbijn voor
een rijke veel tijd uittrok maar een arme kerel snel wegstuurde. Voor een
rabbijn zouden alle mensen toch gelijk moeten zijn. "Zeker",
antwoordde de rabbijn, "maar het zit zo: jij en ik weten dat jij arm
bent, en daar zijn wij het dus snel over eens. Maar die andere denkt dat hij
met al zijn goud en zijn diamanten rijk is. Het kost me uren praten om hem
te doen inzien dat hij, met al zijn pretentie, een armzalig en meelijwekkend
mens is".
Misschien heeft God in zijn agenda ook voor ons tijd voor
een lang gesprek uitgetrokken...
Marc Christiaens o.p. (Schilde)