| Preek van de week |
|
|
||
| 5 september - drie-en twintigste zondag 2010 |
|
|
Lezingen: Filemon
9-17
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Het Rijk
Gods gaat boven alles! Zo kunnen we het evangelie van deze dag resumeren.
Het Rijk Gods is het leven dat ontstaat, als je de God van Jezus je leven
laat beheersen. Jezus zelf deed het ons voor. Hij deed niets anders en sprak
over niets anders. Dat Rijk Gods is belangrijker dan je ouders, je vrouw en
kinderen, je broers en zussen, je eigen leven. Je moet zelfs het kruis, dat
Jezus gedragen heeft, er voor over hebben. Het kruis van minachting,
verwerping, foltering, martelaarschap.
Dat is krasse taal! Wie van ons is daartoe bereid? Wie
kan dat aan? Daarom geeft Jezus twee voorbeelden. Iemand die een toren wil
bouwen, moet eerst zien of hij geld genoeg heeft. En een koning die ten
strijde wil trekken moet zien of zijn leger groot en sterk genoeg is om
het te halen. Die twee voorbeelden zijn een waarschuwing. Het is niet zo
eenvoudig om te zeggen dat je kiest voor het Rijk Gods en dat het voor jou
boven alles gaat. Je kan je niet roekeloos, onbesuisd aan dit avontuur
wagen, want anders haal je het niet. Je zal moeten overleggen, wikken en
wegen, kiezen en besluiten trekken. Er staat: dat je al wat je lief is, en
al je geliefden zal moeten ‘haten’. Kwam Jezus dan de haat prediken?
Is het Rijk Gods beleven, een leven van haat leiden? Dat is zeker niet de
bedoeling. Het woord ‘haten’ is een oosters werkwoord dat betekent:
minder liefhebben of ‘op de tweede plaats zetten’. Maar is het dan zo
dat we God méér beminnen als we onze geliefden minder liefhebben? God is
toch geen concurrent van de mens!
Die krasse, radicale uitspraken over het Rijk Gods
hebben woestijnvaders, monniken en andere religieuzen concreet in praktijk
gebracht. Ze gingen soms héél ver in onthechting, verzaking,
versterving. Er waren zelfs pilaarheiligen die op een zuil leefden uit
liefde voor God! Sommigen lieten zich inmetselen om toch maar aan alles en
iedereen ‘onthecht’ te zijn. Ik heb het zelf nog meegemaakt dat een
confrater zodanig vastte dat hij van honger stierf.
Als we naar Jezus zelf kijken, leefde hij niet als een
strenge asceet. Op een bepaalde plaats in het evangelie wordt hij zelfs
verweten voor een ‘gulzigaard en wijndrinker’. Jezus van Nazareth
leefde zoals iedereen. Hij kleedde zich gewoon zoals iedereen, woonde in
een huis, at en dronk volgens de gewoonten van die tijd. Hoe hij leefde
voor zijn openbaar optreden weten we niet. Wellicht ook gewoon. Had hij
geleefd zoals bv. Johannes de Doper, die met een kleed van kameelhaar, in
de woestijn wilde honing en sprinkhanen at, dan zou het evangelie daar
zeker melding van gemaakt hebben. Het is wel zo dat Hij na een
woestijnervaring al predikend rondtrok met twaalf leerlingen. Maar ook dan
lezen we niet dat hij iedere nacht opstond om te bidden of dat hij het
voedsel weigerde dat hij van de mensen kreeg.
En toch stelde hij het Rijk Gods boven alles. Dat
blijkt uit het feit dat hij zich niet hield aan de voorschriften en wetten
van schriftgeleerden en Farizeeën. Uit liefde voor armen, zieken,
onreinen, geminachte mensen, vrouwen, overtrad hij dikwijls de gangbare
religieuze regels. Hij was daarin zo radicaal, dat hij uiteindelijk
gekruisigd werd als een godslasteraar, als een ketter en valse profeet.
Dit evangelie is geen oproep om spectaculaire, ongewone
dingen te doen omwille van het Rijk Gods. Het is wél een uitnodiging om
in ons gewone leven van elke dag, de evangelische Liefde van Jezus, op
onze manier en volgens onze mogelijkheden te beleven. En dan wel heel
bewust en niet zomaar uit gewoonte. En dan gaan we misschien toch wel
dingen doen die in de ogen van de mensen niet normaal zijn. Zoals Paulus
vraagt aan Filemon een weggelopen slaaf, die gestolen had, terug te nemen
en hem te omarmen; niet als slaaf maar als zijn ‘geliefde broeder’(zie
de tweede lezing). Etty Hillesum, een joods meisje van 27 dat in Auschwitz
vergast werd, is hier een mooi voorbeeld van. Ze heeft de haat voor de
nazi’s en de SS-ers nooit in haar hart toegelaten. Ze schreef in haar
dagboek: ’God, laat me geen kracht, geen snippertje kracht verliezen aan
haat, aan nutteloze haat tegen deze soldaten.’ In de hel van het
uitroeiingskamp toonde Etty iets van die hemelse liefde van het Rijk Gods
boven alles.
Rob Moens, dominicaan, Genk
.
|
| |