| Preek van de week |
|
|
||
| 30 mei - Drievuldigheidszondag |
|
|
Lezingen: Spreuken
8,22-31
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Zoals elke mens een naam heeft,
zo heeft God ook een naam. Vandaag vieren wij zijn naamfeest. Een naam die wij
met huiver en eerbied moeten uitspreken en die ook niet ijdel mag worden
gebruikt, zoals het tweede van de tien geboden ons voorhoudt. Het is niet omdat wij Gods naam kunnen uitspreken dat wij
weten wie God eigenlijk is. God is niet op te sluiten in de begrippen en
beelden die wij ons over Hem vormen.
In een dagboek van een Spaans dorpspastoor, maakt die
priester op het einde van zijn priesterleven de bedenking: heel mijn leven
heb ik geprobeerd aan mensen duidelijk te maken wie God is. En nu besef ik
dat een God die in de hoofden van mensen te kloppen is, een op mensenmaat
gesneden God is, een afgod.
God blijft buiten het bereik van enig menselijk vermogen.
God woont in het ontoegankelijke licht, niet aan te raken, niet in beeld te
brengen, niet te verwoorden. Elk spreken is een stamelen voor de deur van
het ontoegankelijke. Elk beeld of voorstelling is een menselijk beeld en een
menselijke voorstelling en schiet schromelijk te kort. God onttrekt zich
voortdurend aan onze menselijke gretigheid.
Het Jodendom en de Islam zijn altijd gevoelig geweest
voor die transcendentie van God en daardoor ook meer gereserveerd in het
maken van beelden van God. ‘Gij zult geen beeltenis of enige gelijkenis
maken, noch van wat boven in de hemel, noch van wat onder op de aarde is’
staat er in het tweede gebod van de tien geboden. Als de Joden bij het lezen
van de Torah Gods naam tegenkomen buigen ze zwijgend het hoofd.
In de moskeeën zie je mooi versierde schriftteksten uit
de Koran. Maar geen afbeeldingen van God. God vertoont zich in wat Hij te
zeggen heeft. De gehoorzaamheid aan zijn woord is het enige wat belangrijk
is, en niet wat wij ons van God voorstellen.
In het christendom is men wat minder schroomvol met dat
beeldenverbod omgegaan. Er zijn niet alleen de dogma’s, er is ook een
uitgebreide iconografie tot stand gekomen. Het christendom is een godsdienst van het gelaat, zegt
men soms. Er is die drang in ons om wat wij beleven aan gevoelens en geloof
zichtbaar te maken in symbolen, concrete beelden en voorstellingen. Op die
manier trekken wij God binnen onze tijd en ruimte als een relationele God
die met ons mensen verbonden wil leven.
Een mooi voorbeeld vinden wij in de eerste schriftlezing
uit het boek Spreuken waarin God getypeerd wordt als een kunstenaar die met
zorg en tederheid de aarde, de zee, de wolken en de bronnen deed ontstaan.
Maar die vóór dat alles eerst zijn troetelkind, de mens, schiep die mag
spelen voor zijn aangezicht.
Met beelden en voorstellingen is niets mis zolang ze niet
letterlijk geïnterpreteerd worden, maar daarentegen de bedoeling hebben te
verwijzen naar het ondoorgrondelijk mysterie dat God is.
Een God die met ons meetrekt en waarbij wij ons leven
ervaren als geschonken door de Vader, gered door de Zoon en bezield door de
Geest. God boven ons, naast ons, en in ons. Vader, Zoon en Geest. Het is de
kortste De kerk leeft helemaal in de ban van dit grote mysterie,
want elk gebed en elke zegen, elke wijding en elk sacrament geschiedt in de
naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
Het gaat telkens om die ene God met een drievoudige naam.
God driemaal anders bekeken, driemaal anders doorverteld.
Gerard Braet o.p., Knokke |
| |